Leren leven met de oesterboorder

Weghouden, vermijden of bestrijden?

Paul Vader, redacteur HZ Discovery

Foto: oesterboorder borend op een oesterschelp.

De Zeeuwse oesterkweek heeft de laatste jaren in toenemende mate te maken met schade door de Japanse oesterboorder (Ocinebrellus inornatus). Deze roofslak handelt overeenkomstig zijn naam door een gaatje in de oesterschelp te boren, de oester te doden en het vlees te consumeren. Ook andere schelpdieren zoals mosselen vallen ten prooi aan de oesterboorder. De verliezen in opbrengst zijn inmiddels zodanig dat de traditionele oesterkweek op de bodem van de Oosterschelde in gevaar dreigt te komen. Is het tij nog te keren of moeten de kwekers de bodem verlaten en de oesterkweek op tafels voortzetten? De onderzoeksgroep Aquacultuur heeft deze zomer een onderzoek afgerond dat tot doel had manieren te vinden om de predatiedruk van de oesterboorder te beperken. Duidelijk is in ieder geval dat de Japanse oesterboorder, die waarschijnlijk met schelpdiertransport in de Nederlandse wateren is geïntroduceerd, een blijver is. Maar welke opties hebben de kwekers om te leren leven met deze oesterpredator?

De meest voor de hand liggende maatregel om de oesterboorder te bestrijden is ze op te vissen. De kweker weet uit ervaring dat de oesterboorders terugkomen als er op een schoon perceel oesters worden uitgezaaid. Maar over de snelheid waarmee dat gebeurt is niet veel bekend, omdat er relatief weinig over de biologie van de oesterboorder in de literatuur te vinden is. De onderzoekers hebben daarom een aantal eigenschappen van deze soort in beeld gebracht, zoals de snelheid waarmee ze zich verplaatsen en in hoeverre wind, stroming en de aanwezigheid van voedsel daar een rol in spelen. Ook hebben ze geconstateerd dat de slakken een voorkeur hebben voor een harde ondergrond. Schoonvissen en daarna de randen regelmatig vrij houden van oesterboorders is dan ook een van de aanbevelingen voor de oesterkwekers.

Prooikeuze Uit de literatuur is bekend dat oesterboorders een voorkeur hebben voor kleinere oesters (9 tot 76 mm), het zogenaamde oesterbroed. De onderzoekers van de HZ toonden door middel van veldexperimenten in de Oosterschelde aan dat de Japanse oester meer gepredeerd wordt dan de platte oester. De oesterboorder 'ruikt' zijn prooi als het ware door de chemische signaalstoffen te detecteren. Een serie experimenten in het laboratorium toonde aan dat de oesterboorders in kleine meerderheid kiezen voor het ‘geur’spoor van oesters boven dat van mosselen. Veldexperimenten toonden aan dat mossels ook gegeten worden, al hebben de roofslakken ook hier een lichte voorkeur voor oesters.

Mosselranden Een mogelijk succesvolle methode om de oesterboorder weg te houden van de kweekpercelen is het opwerpen van fysieke barrières in de vorm van randen met mosselzaad (kleine mosselen) rondom marktwaardige oesters. Hiermee is uitgebreid geëxperimenteerd in de oesterputten van Yerseke. De onderzoekers ontdekten, niet geheel onverwacht, dat de breedste randen (1,5 m) de oesterboorders het meest vertraagt in het succesvol passeren van de rand. Het maakt daarbij uit of de rand er al een poos ligt. De mosselen vormen namelijk in de loop der tijd een sliblaag die de oesterboorder liever mijdt, waarmee een oudere mosselrand de oesters beter beschermt dan een verse. De werking van de mosselrand is drieledig: hij vormt een fysieke barrière zoals hierboven beschreven, de mosselen vormen een alternatieve prooi voor de oesterboorders en de aanwezigheid van de mosselen zorgt ervoor dat de roofslakken hun favoriete prooi niet meer goed ‘ruiken’. Welke van de drie de grootste rol speelt is uit de experimenten niet duidelijk geworden. Een praktisch bezwaar tegen deze oplossing is dat de regelgeving op dit moment niet toestaat dat er mosselen op oesterpercelen worden uitgezaaid.

Aanbevelingen voor kwekers In september werd in de Oesterij te Yerseke het eindsymposium gehouden van dit door RAAK SIA gefinancierde project. De belangrijkste aanbevelingen die onderzoeksters Eva Hartog en Tony van der Hiele de aanwezige kwekers voorhielden waren:

  • het schoonvissen van percelen voor het zaaien van het oesterbroed en regelmatig schoonvissen van de randen daarna;
  • het opkweken van kleine oesters op tafels buiten het bereik van de oesterboorders en daarna verder laten uitgroeien op bodempercelen;
  • verder onderzoek naar het gebruik van mosselranden als bescherming tegen predatie en de mogelijke verandering in regelgeving die hiervoor nodig is.

De belangrijkste aanbevelingen van het project Leren leven met de oesterboorder staan beschreven in een viertal factsheets. Verdere informatie en de factsheets zijn te vinden op de Delta Expertise-site.